1. Is het ringen van vogels een dierproef?

Nee, noch wetenschappelijk, noch juridisch. Het vangen van vogels en andere dieren met daarvoor gangbare, geaccepteerde methoden wordt niet gezien als een dierproef. Andere handelingen, zoals bijvoorbeeld het nemen van een bloedmonster of het uittrekken van een veer, wordt wel als een dierproef gezien. Ringers mogen die handelingen uitsluitend verrichten indien ze daartoe gemachtigd zijn en een ontheffing van de wet op dierproeven bezitten.

2. Heeft de vogel last van de ring?

Het eerlijke antwoord is: normaliter niet. Ringen moeten natuurlijk geschikt zijn voor de grootte van de vogel en natuurlijk vakkundig worden aangelegd. Als er aanwijzingen zijn dat de vogel in zijn gedragingen gehinderd wordt of er zelfs schade er van ondervindt, dan worden de betreffende vogelsoorten net zo lang van het ringen uitgesloten tot dat er een betere manier ter beschikking staat. In de loop van de vele tientallen jaren zijn er voor een paar specifieke vogelsoorten speciale ringen ontwikkeld die optimale pasvorm hebben. Als een ringer in Nederland door haast of onzorgvuldigheid een verkeerde ring bij een vogel aanlegt dan gaat het Vogeltrekstation daar heel overzichtelijk mee om: hij is onmiddellijk zijn ringvergunning kwijt. Ook modernere merkmethode als kleurringen, halsbanden en veerstempels moeten natuurlijk aan grondige technische en ethische eisen voldoen alvorens ze kunnen en mogen worden toegepast. Naast de basale, maar doorslaggevende, eventuele fysiek schadelijke gevolgen voor de vogel spelen natuurlijk etische aspecten ook een grote rol. Ook moeten we er zeker van zijn dat geringde vogels zich niet anders gedragen dan ongeringde vogels, anders projecteren we afwijkend gedrag van geringde vogels op dat van de vele ongeringde vogels, Dat is natuurlijk wetenschappelijk 'niet echt verantwoord'.

3. Is het nu echt nodig om de vogel te vangen, in de hand te nemen en dus angstig te maken?

Vogels vergelijken met mensen is niet reëel en gaat aan de werkelijkheid voorbij. Een mens kan zich niet voorstellen wat een vogel voelt als die in een net worden gevangen. Menselijke begrippen als "doodsangst", "wanhoop" of wat ook maar genoemd wordt kan men niet aan andere levende wezens toekennen. Hoe vaak bevindt een mens zich in acuut levensgevaar, James Bond uitgesloten. Hoe vaak overkomt dat een vogel? Pas op, daar loert de kat van de buurman, even later vliegt er een Sperwer over, misschien kijkt een Hermelijn toe van onder de heg, 's nacht zoekt een Steenmarter zijn prooi, even verderop staat een glaswand, de weg waar auto's rijden wordt per dag vele malen gekruist en boven alles dreigt het permanente gevaar te verhongeren of 's winters te bevriezen, en dat alles op een doodgewone doorsnee dag in een vogelleven. Reageert een vogel op een kennelijk levensbedreigende situatie hetzelfde als een mens, die na zo'n gebeurtenis mogelijke jarenlang getraumatiseerd is? Dat is zeer onwaarschijnlijk. Als de vogel in de hand wordt vastgehouden om 'm te onderzoeken, te meten en te ringen, dan kun je ongetwijfeld spreken van een grote belasting voor de vogel. Doordachte onderzoeks- en meetmethoden, zoals die de laatse jaren zijn ontwikkeld, grondig geschoolde ringers en uiterste concentratie, zorgen er voor dat de duur van de 'behandeling' zo kort mogelijk is en en niet langer hoeft te duren dan een paar minuten. Onmiddellijk daarna wordt de vogel vrij gelaten en gaat, zoals vele waarnemingen bevestigen, spoedig en soms varrassend snel met zijn dagelijkse bezigheden verder. Natuurlijk moet iedereen die vogels wil gaan ringen voor zichzelf de afweging maken hoe groot hij de mogelijke beïnvloeding inschat en of hij dat voor zichzelf ethisch kan verantwoorden. Dat geldt trouwens voor elke mogelijke beïnvloeding van vogels, of het nu om vangen en ringen gaat, het openen van een nestkast, of het van dichtbij benaderen om de soort vast te stellen, of het verjagen van een plek waar men geen vogels wil hebben. Hoe denken hondenliefhebbers daar eigenlijk over als ze in het park of bos hun hond ver weg zien lopen en misschien wel broedende vogels verstoren of alleen maar op de vlucht jagen? Een kritische afweging tussen de sterkte van de beïnvloeding en het te verwachten nut moet altijd plaatsvinden. Het nut van het ringen is in de eerste plaats natuurlijk de toegenomen kennis waarmee een efficiëntere soortbescherming kan plaatsvinden, maar ook de toegenomen algemene en basale biologische kennis moet hiertoe worden gerekend.

4. Weten we nu na zoveel jaren nog steeds niet waar onze vogels naartoe gaan?

Hoewel we van vele soorten en populaties dankzij het ringen veel weten over hun trek- en overwinteringsgedrag, zijn er nog verbazingwekkend veel lacunes: waar overwintert onze Huiszwaluw? Waar bereiden zich Grasmus, Fluiter, Spotvogel, Bonte Vliegenvanger en vele andere soorten zich voor, door het aanleggen van vetreserves, op hun trans-sahara reis? Vandaag de dag is het eenvoudiger dan ooit palearctische trekvogels in hun winterkwartier op te zoeken, ook zonder ze te ringen. Maar welke populatie dat dan is blijft volstrekt onduidelijk, evenals alle denkbare verbanden tussen veranderingen in de winterverblijfplaats en veranderingen in het broedgebied. Kijken we naar vergelijkbare vragen in Oost-Europa, Azië en naar vele delen van Zuid-Amerika dan is onze kennis gering. En zelfs bij de goed onderzochte soorten als de Ooievaar en Vink kunnen we nooit zeker zijn van onze verworven kennis. Bovendien werpen opgeloste vragen altijd weer nieuwe vragen op, de natuur is gecompliceerder en vooral dynamischer dan je voor mogelijk houdt. Als gevolg van klimaat- en allerlei milieuveranderingen wijzigen veel vogelsoorten hun trekgedrag. De eerste aanwijzingen voor reeds ingezette veranderingen kwamen van ornithologen, gebaseerd op waarnemingen en resultaten van ringgegevens. Wat te denken van een Zwartkop in januari in Engeland, niet een broedvogel die ter plaatse is gebleven, maar door ringwerk is aangetoond dat in toenemende mate zwartkoppen die in Zuid-Duitsland broeden, een nieuwe trekstrategie volgen welke kennelijk succesvol is.

5. Is in deze tijd van transponder en sateliet-telemetrie het ringen van vogels niet hopeloos verouderd?

Nee, een paar recente methoden zijn in een aantal opzichten wel superieur aan de klassieke metalen ring, bereiken echter in vergelijking daarmee niet dezelfde gunstige combinatie van eenvoud, lage kosten, minimale last voor de vogel, hoge opbrengst en langdurige vergelijkbaarheid van de gegevens. Het volgen van vogels door middel van moderne sateliet-telemetrie is natuurlijk spectaculair en verschaft de wetenschapper gegevens die met de klassieke metalen ring nooit verkregen zouden worden, maar die sateliet-telemetrie kan die metalen ring nog niet vervangen. In de eerste plaats omdat de moderne techniek nog niet in staat is de zenders en stroombronnen zo klein te maken dat ook vogels met een grootte van een Kleine Karekiet daarmee kunnen worden uitgerust. In de tweede plaats omdat dergelijke zenders nu nog duizenden euro's per stuk kosten. Bij een voldoende grote steekproef en een proefduur van meerdere weken/maanden, zoals bij bestandsmonitoring en trekanalyses het geval is, zijn op het ogenblik de huurkosten van satelieten meestal onoverkoombaar. Andere peilmethoden (bv. radiotelemetrie) zijn beschikbaar, maar ook daar is het volume en gewicht de beperkende factor. Ook transponders, kleine in glas ingekapselde microchips, worden steeds weer naar voren geschoven als modern alternatief voor de 'ouderwetse' metalen ringen. Naar onze mening is het de voorstanders ervan meestal niet bekend dat een transponder met een canule onderhuids in het bindweefsel van de vogel moet worden ingebracht. De vogel ondergaat geen zichtbaar nadeel ervan, maar of de negatieve gevolgen op de lange duur kleiner zijn dan bij een klassiek ring moet worden afgewacht. Terwijl transponders bij bepaalde specialistische studies onmisbaar zijn, is deze merkmethode voor een groot deel van vogelstudies zinloos, want als de vogel elders wordt aangetroffen, bv. in zijn wintergebiet, dan is de kans verwaarloosbaar dat de vinder de microchip opmerkt, laat staat dat die vinder de speciale aparatuur heeft om deze uit te lezen. Natuurlijk worden ook de verschillende manieren om vogels te ringen verder ontwikkeld en voortdurend verbeterd. De relatief grote, hoekige en scherpe ringen uit het begin van de 20e eeuw zijn nu vervangen door dun roestvrij staal en moderne, sterke aluminiumlegeringen die met moderne machines netjes worden afgerond en met exact op maat gemaakte tangen perfect bij de vogel worden aangelegd.

6. In de 20e eeuw werden er in Nederland al acht miljoen vogels geringd. Welke studie rechtvaardigt dergelijke aantallen?

De kennelijk hoge aantallen ringgegevens mogen niet als imponerend getal worden bezien. Alleen al in Europa leven ca. 500 verschillende vogelsoorten en meerdere honderden miljoenen individuen welke te verdelen zijn over een veelvoud van populaties met deels volledig verschillend gedrag. Bovendien verschilt het trekgedrag binnen een populatie vaak tussen de geslachten en tussen de verschillende leeftijdsgroepen. Zo bekeken ziet het adembenemende aantal ringgegevens er anders uit. Daarbij komt ook nog dat onder invloed van ons mensen en klimaatverschuivingen veel vogelsoorten hun gedrag drastisch veranderen. Een trekpatroon kan er daardoor anders uitzien dan 50 jaar geleden. Niet onbelangrijk is ook het terugmeldingspercentage en vooral de verschillen daarin binnen en tussen populaties en soorten. Grote vogels hebben een relatief hoog terugmeldingspercentage, zodat er slechts enkele tienduizenden geringd hoeven te worden om een onderzoeksvraag op te lossen. Maar wat te denken van een kleine vogel als de Boerenzwaluw? Die heeft een terugmeldingspercentage van ca. 1 ‰. Wil je daar een onderzoeksvraag kunnen beantwoorden dan heb je toch zo'n 10.000 terugmeldingen nodig, dat zijn 10 miljoen geringde vogels.

7. Is het beschermen van vogels niet veel belangrijker dan het ringen?

Het is niet het één of het ander. Beide doelen sluiten elkaar niet uit. Natuurlijk heb je geen ringgegevens nodig om een nestkast op te hangen, de eieren te tellen en te controleren hoeveel vogels er zijn uitgevlogen. Voor grootschalige en duurzame initiatieven bij soortbescherming zijn gegevens door middel van ringgegevens echter onmisbaar: welke populaties brengen vogels voort die andere gebieden ontdekken, welke populatie blijven slechts in stand dankzij regelmatige toestroom uit andere gebied. Anders geformuleerd: heeft een vogel zich op enige afstand van zijn geboortegrond gevestigd omdat hij 'thuis' geen plek tussen zijn voortdurend vermeerderende soortgenoten kon verwerven, of omdat daar geen geschikte leefomgeving, ook voor zijn soortgenoten, meer te vinden was? Ook kritische personen zullen moeten toegeven dat deze strategiën moeten kunnen worden onderscheiden. Hoe plaatstrouw zijn soorten? Bij zeer plaatstrouwe soorten, welke ook nog oud worden, zal het zin hebben de broedplaatsen goed te beschermen, bij vogels met een nomadenbestaan is dat zinloos. Hoe hoog is een broedsucces, in welke mate keren vogels terug naar hun oude nest of broedgebied, hoe is hun overleving? Een soortbeschermingsplan kan op het ogenblik nauwelijks kostbare arbeidstijd en krappe financiële middelen inzetten als dergelijke basis gegevens niet bekend zijn en geactualiseerd blijven. Geen van de genoemde vragen kan bevredigend beantwoord worden zonder de vogels individueel te markeren, ringen dus. Zelfs de eenvoudige vraag naar het aantal pleisterende, overwinterende of broedende vogels in een bepaald gebied en de veranderingen in de loop van de tijd, kan vaak niet worden beantwoord zonder ringgegevens. Behalve het waarnemen van zingende mannetjes, wat lang niet altijd betekent dat de vogel terplaatse broedt, zijn er voor de in de struweel- en rietgebieden broedende vogels geen andere waarnemingsmethoden dan gestandaardiseerd ringen met mistnetten om met de terugvangsten nadere informatie te kunnen verkrijgen.

8. Het ringen van vogels wordt voor het grootste deel door amateurs uitgevoerd. Hebben die wel voldoende kwaliteit?

De reeds vermeldde Flora- en faunawet bepaalt dat "alleen in gezelschap van de eigenaar of gebruiker der gronden of wateren, of met diens schriftelijke toestemming" een ringer de vogels mag vangen en ringen. Deze toestemming is gebonden aan schriftelijke vergunningen. De grondeigenaar of -beheerder heeft op deze wijze een gedegen overzicht wie wel en wie niet op zijn terrein vogels mag ringen en kan op die manier een belangrijke kwaliteitsbewaking uitvoeren, immers onjuist behandelde vogels komen de bescherming ervan bepaald niet ten goede en onzorgvuldig verzamelde gegevens zijn wetenschappelijk zonder enige waarde. Vrijwillige amateur-ringers zijn in het onderzoek een onmisbare steunpilaar en zijn de drijvende krachten in dit type onderzoek. Velen van hen hebben zich jarenlang en tientallen jaren lang gespecialiseerd en kennis en vaardigheden verworven die vele professionals in de schaduw laten staan. De noodzakelijke vaardigheden om vogels te ringen kan men in Nederland alleen dan pas verkrijgen door mee te werken in een team met zeer ervaren ringers en door het volgen van cursussen en bijscholingen. Bij beginnende ringers worden hun kennis, kunde en kwaliteit in opdracht van het Vogeltrekstation door onafhankelijke zeer ervaren ringers geëxamineerd. Door middel van info's, rondschrijven, interne en externe publicaties, updates op onze website, ringersbijeenkomsten en (specialistische) bijscholingen blijven ook ervaren ringers op de hoogte van de nieuwste ontwikkelingen en is, ook naar internationale maatstaven, kwaliteit gewaarborgd.

9. Lopen niet veel ringprojecten zinloos en ongecoördineerd in elkaar over?

Er is vrijwel geen andere wetenschappelijke methode waarbij alle onderzoeken beter gecoördineerd zijn dan bij het ringen van vogels. Al het ringwerk in Nederland wordt al vele tientallen jaren gecoördineerd door het Vogeltrekstation, waar dus alle lijnen samenkomen, alle projecten bekend zijn, en doublures in onderzoek worden vermeden. Alle Ringcentrales in Europa werken nauw samen en coördineren hun methoden en de dataopslag onder de paraplu van EURING (European Union for Bird Ringing), welke in Heteren (Nederland) de databank heeft waar terugmeldingen worden opgeslagen van vele landen. De reeds verzamelde gegevens zijn in een centrale databank digitaal opgeslagen, en zijn altijd beschikbaar voor steeds nieuwe vragen van hobbyonderzoekers en wetenschappers, in Nederland vrijwel kostenloos. Intussen is er ook een werkgroep die tijdens de internationale congressen van ornithologen de ringcentrales over de gehele wereld verenigd. Hier worden intercontinentale projekten gecoördineerd en wereldwijd ervaringen uitgewisseld.

10. Verdwijnen de meeste ringgegevens niet ongezien onderin een bureaulade?

Het Vogeltrekstation in Wageningen heeft al vele jaren een modern en krachtig computersysteem tot zijn beschikking, waardoor er snel en betrouwbaar grote hoeveelheden gegevens kunnen worden verwerkt en verstrekt. Dankzij de vele pc-privé-projecten bereiken al vanaf 1993 (!) alle (!) gegevens van de ringers ons via de digitale snelweg, de software daarvoor werd gratis door het Vogeltrekstation aan de ringers ter beschikking gesteld. Vele onderzoeken zijn exclusief beantwoord doordat de vogels geringd waren en bij vele honderden onderzoeken in Nederland waren een deel van de onderzoeksvragen niet te beantwoorden geweest als de vogels niet geringd waren. Opvallend is natuurlijk de publicatie van een aantal vogeltrekatlassen. De oudste daarvan is 'Der Zug europäische Singvögel' door G. Zink, gevolgd door de Nederlandse 'Thieme's Vogeltrekatlas' door B.J. en G. Speek. Recent zijn de Zweedse, Noorse en Engelse Ringatlassen verschenen. Daarnaast presenteren vele handboeken van vogels, monografiën van soorten en avifauna's gegevens welke d.m.v. ringgegevens zijn verzameld.

 

Bron:
Fiedler W. 2003. Zehn kritische Fragen zur Vogelberingung. De Falke 50: 301-307.