Hoe ziet de nieuwe opleiding om ringer te worden eruit?

Om zelfstandig vogels te mogen gaan ringen, moet u eerst een opleiding volgen. Tijdens deze opleiding bent u aspirant-ringer. Tijdens de opleiding tot ringer loopt de aspirant-ringer stage bij een ervaren ringer, die als mentor optreedt en u het ringwerk leert. Naast een mentor heeft de aspirant-ringer ook twee opleiders voor specifieke leerdoelen en extra begeleiding.

Tijdens de opleiding komt, behalve het ringen, nog veel meer aan bod. Ook zaken zoals het opzetten van uw onderzoek, nemen van biometrische maten (gewicht, vleugellengte, vetscores etc), administratie van de gegevens, gebruik van de vangmiddelen, hygiëne tijdens het ringen en omgang met publiek en media komen aan bod. Tijdens uw opleiding worden 16 leerdoelen behandeld. Bij de start van uw opleiding krijgt u een portfolio waarin u de vaardigheden die bij deze leerdoelen horen kunt aftekenen. Alle leerdoelen worden getoetst tijdens het theorie- en praktijkexamen.

Aspirant-ringers hebben de intentie om zelfstandig te gaan ringen. Wanneer u alleen wilt meehelpen met het ringwerk, dan kunt u assistent-ringer worden. Op de website kunt u (binnenkort) hiervoor een document invullen en printen. Aan het assistent-ringerschap is geen opleiding verbonden, maar u mag als assistent-ringer dan ook nooit zelfstandig vogels vangen of ringen.

 

Mentor Hij/zij begeleidt een aspirant-ringer een-op-een en leert hem/haar de kneepjes van het vak in de praktijk door de aspirant-ringer minimaal twee jaar onder zijn hoede te nemen. De mentor bepaalt in overleg met het Vogeltrekstation wanneer de aspirant-ringer klaar is voor het theoretische en voor het praktische examen. Hij is aanspreekpunt voor het Vogeltrekstation en voor andere opleiders betreffende de vorderingen van de aspirant-ringer. Hij tekent de met succes uitgevoerde onderdelen uit de portfolio van de aspirant-ringer die onder zijn supervisie zijn uitgevoerd af. Voldoet aan en volgt het mentorprotocol waarin de eisen die aan een mentor worden gesteld en de taken die de mentor dient uit te voeren zijn vastgelegd.

Opleider

Leidt in overleg met de mentor een aspirant-ringer voor kortere of langere duur op voor vaardigheden genoemd in het portfolio. Mag voor onderdelen met succes uitgevoerd onder diens supervisie het portfolio van de onder hem vallende aspirant-ringer aftekenen

 

De opleiding

Samen met uw mentor en opleider(s) stelt u uw opleiding samen. Aan welke soortgroep(en) wilt u gaan werken, welke onderzoeksvraag gaat u beantwoorden, aan welke (nieuwe of lopende) projecten gaat u deelnemen? U kunt het aanmeldformulier (of de wordformat zie links) gebruiken om uw opleiding vorm te geven. Daarna kunt u het formulier indienen om goedkeuring voor uw opleiding aan te vragen.

De duur van de opleiding is afhankelijk van de soortgroep(en) die u wilt gaan ringen, uw ervaring en de tijd die u tijdens het seizoen beschikbaar bent. De opleiding duurt, enkele uitzonderingen daargelaten, minimaal twee jaar.

U kunt zelf de ringer kiezen die u opleidt. In de meeste gevallen heeft u waarschijnlijk al contact met een ringer die u kan opleiden. Deze begeleidende ringer wordt uw mentor en moet daarvoor de mentorstatus hebben voor de soortgroep(en) waarvoor u wordt opgeleid. Meer informatie over mentor worden . Elke mentor kan maximaal 2 aspirant-ringers begeleiden. Naast een mentor heeft u ook twee opleiders. Een opleider is niet direct voor uw opleiding verantwoordelijk, maar kan u speciale vaardigheden leren of u op bepaalde dagen op de ringplek begeleiden.

Tijdens de opleiding moet u ook minstens 3 externe ringgroepen bezoeken. Dit zijn ringgroepen waar u niet regulier ringt. Eén bezoek daarvan mag de tussentijdse evaluatie zijn. Een overzicht van de locaties waar uw tussentijdse evaluatie kan plaatsvinden vindt u hier.

 

Waar moet de opleiding aan voldoen?

Omdat een machtiging “tot het vangen en ringen van wilde vogels” alleen gegund (uitgegeven) wordt ten behoeve van wetenschappelijke doeleinden is het belangrijk dat u in uw opleidingsplan duidelijk aangeeft hoe u hieraan gaat bijdragen. U kunt bijvoorbeeld deelnemen aan één van de onderzoeksprojecten van het Vogeltrekstation, zoals de CES, Ring-Mus of RAS projecten. U kunt ook zelf of met uw ringgroep een onderzoeksproject starten. Enkel wanneer uw ringplannen voldoende wetenschappelijke waarde hebben kunt u met uw opleiding starten en aspirant-ringer worden. De wetenschappelijke waarde en de haalbaarheid van uw plannen worden daarom vooraf getoetst door de plaatsings- en wetenschapscommissie (PWC). Een nieuw project kunt u via het digitale aanvraagformulier aanvragen.

De wetenschappelijke waarde is niet van alle projecten gelijk. Van sommige soorten worden bijvoorbeeld al genoeg vogels geringd om een goede steekproef te verkrijgen voor het onderzoek naar de demografie van deze soort. Anderzijds zijn er gebieden waar heel weinig vogels worden gemonitord en er dus grote behoefte is aan nieuw ringonderzoek. Het is belangrijk om hier rekening mee te houden bij het vormgeven van uw opleiding. De kenmerken van de verschillende projecten hebben we voor u samengevat.

 

Opleiding per soortgroep

Als aspirant-ringer werkt u tijdens de opleiding aan maximaal 2 soortgroepen. Er worden 7 soortgroepen onderscheiden. Voor iedere soortgroep waarvoor u in opleiding bent moet u een theorie- en praktijkexamen doen. Als u meerdere soorten binnen één soortgroep wilt gaan ringen, dan hoeft u in de meeste gevallen maar één keer examen te doen. Wilt u bijvoorbeeld kerkuilen en torenvalken gaan ringen (beide behorend tot de soortgroep roofvogels en uilen) dan is één examen voldoende. De opleiding en het examen zijn gericht op de standaardvangmiddelen voor de betreffende soortgroep(en). Het gebruik van extra vangmiddelen is alleen mogelijk indien hier tijdens opleiding en het examen specifiek aandacht aan wordt besteed. U kunt ook nadat u uw ringmachtiging heeft behaald nog extra soortgroepen of vangmiddelen aan uw machtiging toevoegen, door hier apart examen voor te doen. Als u zowel pullen als adulten wilt gaan ringen, dan zult u in sommige gevallen voor beide examen dienen te doen. Ringers die hun ringmachtiging willen uitbreiden met een extra soortgroep moeten hiervoor ook eerst een praktijkexamen doen.

De 7 soortgroepen:

  • Zangvogels en aanverwante ‘landvogels’*

  • Roofvogels en uilen

  • Watervogels

  • Steltlopers en weidevogels

  • Ooievaars, reigers, lepelaars, aalscholvers

  • Meeuwen, sterns en alken

  • Hoenders en rallen

* Deze grote groep van soorten die regelmatig met mistnetten worden gevangen omvat naast de echte zangvogels (orde Passeriformes), ook de papegaaiachtigen (Psittaciformes), ijsvogelachtigen (Coraciiformes), spechtachtigen (Piciformes), koekoeken (Cuculiformes), nachtzwaluwachtigen (Caprimulgiformes), duiven (Columbiformes) en gierzwaluwachtigen (Apodiformes). 

 

Ringgroep

Aspirant-ringers moeten aangesloten zijn bij een ringgroep. De voordelen hiervan zijn dat u van elkaar kunt (blijven) leren en dat u elkaar kunt vervangen bij onvoorziene omstandigheden. Dit vergroot de kwaliteit van het ringwerk en vergroot ook de kans dat een project wordt voortgezet. Als u alleen wilt meehelpen bij een groep, zonder mee te werken aan projecten of om zelfstandig ringer te worden kunt u een assistent-ringersverklaring downloaden op onze site. Indien u een ringgroep wilt oprichten maar niet weet welke ringers er bij u in de buurt actief zijn kunt u contact opnemen met het Vogeltrekstation. We streven ernaar dat elke ringer uiteindelijk is aangesloten bij een ringgroep.

 

Leeftijd

De Nederlandse wet stelt geen eisen aan de leeftijd van personen waaraan een machtiging wordt verstrekt, maar het Vogeltrekstation hanteert de volgende leeftijdsgrenzen:

  • Ringer : minimaal 18 jaar
  • Aspirant-ringer : minimaal 16 jaar
  • Gast : geen minimum leeftijd
  • Helper : minimaal 14 jaar. Hiervan kan in uitzonderlijke gevallen gemotiveerd en na schriftelijke toestemming van het Vogeltrekstation worden afgeweken, mits de helper volledig binnen en onder direct toezicht van de leden van de ringgroep opereert en niet fungeert als helper van een individueel opererende ringer uit die ringgroep. Het Vogeltrekstation kan daarbij extra regels en eisen opleggen. Hierbij dient als uitgangspunt dat binnen een ringgroep de sociale controle als deugdelijk vangnet zou kunnen dienen.

 

Examinering en examenaanvraag

Om uw eigen ringmachtiging te verkrijgen kan uw mentor, op zijn vroegst twee jaar na de start van uw opleiding, een praktijkexamen aanvragen. Per soortgroep is er ook een richtlijn voor het aantal vogels dat u geringd moet hebben. Voor elke soortgroep moet u een apart examen doen. Tijdens het praktijkexamen worden de vangmiddelen getoetst die standaard bij de soortgroep horen. Extra vangmiddelen moeten ook tijdens de opleiding behandeld zijn en voor het gebruik van bal-chatri en strikken moet een extra theoriedag worden gevolgd. Na het examenverzoek zal het Vogeltrekstation een examinator zoeken waarmee u een afspraak voor het examen kunt plannen. 

Voordat uw mentor een praktijkexamen kan aanvragen, moet u de theorietoets positief hebben afgerond. De theorietoets kunt u op zijn vroegst één jaar na start opleiding maken en is twee jaar geldig. De theorietoets gaat in op de leerdoelen die in het ringerspaspoort staan benoemd.De theorietoets bestaat uit een algemeen deel dat door iedere ringer, ongeacht soortgroep, moet worden gemaakt en bevat ook een module waarin uw kennis van GRIEL wordt getoetst. Daarnaast bestaat het examen ook uit een soortgroep-specifiek onderdeel. Het examen wordt op één keer per jaar op het Vogeltrekstation georganiseerd. Binnenkort komt er een voorbeeldtoets beschikbaar. 

Het praktische examen moet dus binnen twee jaar na het behalen van het theorie-examen worden afgelegd en behaald. Is dit niet het geval, dan dient men opnieuw het theoretische examen af te leggen. Wanneer u twee keer zakt voor het theorie- of praktijkexamen, vervalt het recht op het afleggen van een examen en wordt de opleiding beëindigd.

In zeer uitzonderlijke gevallen kan bij bepaalde soortgroepen, afhankelijk van relevante ervaring, het opleidingstraject worden ingekort. Bijvoorbeeld wanneer een ervaren nestkastcontroleur uilen wil gaan ringen.

 

Aansprakelijkheid

Het meewerken aan het wetenschappelijk ringonderzoek geschiedt op geheel vrijwillige basis en het Vogeltrekstation kan dan ook niet aansprakelijk gesteld worden voor ongevallen en ziekten (of welke nadelige gevolgen dan ook), die kunnen ontstaan bij activiteiten daaromtrent. Het ringwerk vindt plaats op vrijwillige basis, zonder gezagsverhouding of opdracht. U kunt bij uw gemeente controleren of zij en collectieve verzekering voor vrijwilligers hebben afgesloten.