| RAS |
home → vogeltrekstation → informatie algemeen → ras
Het "Retrapping Adults for Survival" (RAS) project
Het Retrapping Adults for Survival (RAS)-project is een ringproject van het VT, het is gestart in 1998. Het doel
van het project is om terugvangst-gegevens te verzamelen, die het ons mogelijk maken om de overlevingskansen van een
reeks van vogels te volgen in verschillende broedgebieden. Al het ringwerk
vindt uitsluitend plaats gedurende het
broedseizoen dat voor sommige vogels al in januari kan beginnen.
(dus niet daarbuiten, en het broedseizoen begint voor dit project bij de paarvorming),
Terugvangsten van vogels,
die in vorige jaren zijn geringd, kunnen worden gebruikt om de overlevingskansen te berekenen.
Een hoge graad van plaatstrouw bij broedende adulte vogels maakt het vergaren van ring- en terugvangstgegevens tot
een efficiënt middel om de overlevingskansen van adulte vogels te meten en te volgen. Het project is zo eenvoudig
en flexibel mogelijk ontworpen.
Een RAS-databank voor bescherming.
Ofschoon de nationale terugmeldingen van geringde vogels en de CES-terug-vangsten al goede inlichtingen verschaffen over
een groot aantal vogelsoorten zijn er nog altijd belangrijke soorten en gebieden waar het Vogeltrekstation niet voldoende
gegevens van heeft. We hopen dat het RAS-project zal helpen om veel van deze gaten op te vullen. RAS-studies inzake
soorten die op agrarische gronden broeden, zoals de Veldleeuwerik, Graspieper, Geelgors en de Kneu
zouden bij voorbeeld onmiddellijk veel waardevolle gegevens voor
bescherming kunnen leveren. We hopen dat het RAS-project een grote databank met terugvangsten zal opleveren, die in de
eerstkomende jaren beschikbaar zal zijn voor beschermingsproblemen. Omdat we niet weten welke soorten of landschappen
in de toekomst bedreigd zullen worden, is het belangrijk dat veel soorten en veel landschappen worden bestudeerd.
Nestkaststudies van Spreeuwen in voorstedelijke gebieden zijn even belangrijk als studies van meer exotische soorten
zoals de Roodborsttapuit of de Grote Gele Kwikstaart.
De achteruitgang van vogelsoorten in landbouwgebieden wordt misschien veroorzaakt door verminderde overlevingskansen
gedurende de winterperiode maar gegevens over de meeste soorten ontbreken. Eerdere ring- en terugvangststudies hebben
duidelijk aangetoond dat veranderingen in de populaties van veel trans-Sahara trekvogels veroorzaakt worden door
problemen in de Afrikaanse winterkwartieren, maar er is meer informatie nodig van meer vogelsoorten. Kennis van de
overlevingskansen is van essentieel belang voor doeltreffende beschermingsmaatregelen; maar al te vaak is onze kennis
op dit gebied bedroevend klein.
Historische data.
We weten dat veel ringers jarenlang RAS-achtige studies hebben verricht. We willen graag historische data van dit soort
in de RAS-databank opnemen, zodat we gebruik kunnen maken van die gegevens voor beschermingsdoeleinden. Neem contact op
met het Vogeltrekstation als u denkt dat u passende terugvangsten heeft. Zowel (oude) gegevens op papier, als (oude)
data op floppy kunnen we gebruiken.
Kies Uw eigen vogelsoort.
De soorten moeten plaatstrouw zijn aan hun broedterrein en de ringers moeten in hun studieterrein jaarlijks een minimum
van 30 vogels (liefst 40-50) vangen en terugvangen. Het welzijn van de vogels staat uiteraard voorop. Vogelsoorten,
die gevoelig zijn voor verstoring worden van dit onderzoek uitgesloten, vogels van
de Rode Lijst zijn niet automatisch verboden gebied,
maar kunnen slechts na zorgvuldig overleg tussen in ieder geval de terreinbeheerder en het VT in overweging worden
genomen. Ringers worden aangemoedigd om soorten te kiezen, die qua bescherming meer of minder in de belangstelling
staan. Soorten die al in voldoende mate gevolgd worden (binnen bv. het CES-project) komen op het tweede plan.
Anno 2008 zijn er RAS project actief voor de volgende vogelsoorten: Boerenzwaluw, Bonte Vliegenvanger, Boomklever,
Bosuil, Huismus, Huiszwaluw, Kerkuil, Kievit, Kleine Mantelmeeuw, Kleine Plevier, Knobbelzwaan, Kokmeeuw, Koolmees,
Meerkoet, Merel, Nijlgans, Oeverzwaluw, Pimpelmees, Slechtvalk, Sperwer, Spotvogel, Steenuil, Stormmeeuw, Torenvalk,
Tureluur, Visdief, Zilvermeeuw en Zwarte Mees EN lopende onderzoeksprojecten instituten: Brandgans, Boomleeuwerik,
Grauwe Gans, Grauwe Klauwier, Grutto, Lepelaar, Ooievaar, Scholekster, Tapuit en Veldleeuwerik.
Geschikte soorten zijn (bovenstaande soorten plus): reigers (Blauwe Reiger, Grote Zilverreiger) eenden (Eider),
roofvogels (Bruine Kiekendief) ralachtigen (Meerkoet, Waterhoen) weidevogels (Grutto, Kievit, Scholekster, Tureluur),
meeuwen en sterns duiven (Turkse Tortel) zangvogels (Blauwborst, Ekster, Geelgors, Gekraagde Roodstaart, Gierzwaluw,
Grasmus, Graspieper, Grote Gele Kwikstaart, Goudvink, Heggenmus, Kauw, Kleine Karekiet, Kneu, Merel, Nachtegaal,
Rietzanger, Ringmus, Roodborsttapuit, Spreeuw, Witte Kwikstaart).
Kies Uw eigen studieterrein.
Het studieterrein moet groot genoeg zijn om een flinke (minimaal 15 paren, liefst 20-30 paren) broedpopulatie te kunnen
volgen. Voor sommige soorten, die een groot of een verspreid broedterritorium hebben is een groot terrein nodig
en samenwerking met andere ringers kan wenselijk zijn om het hele terrein te kunnen bemannen. Terreinen, die uit
één soort landschap bestaan, hebben de voorkeur, b.v. bouwland, weiland, bos, struikgewas of moeras.
Het RAS-project moet niet worden uitgevoerd op CES-plaatsen zonder toestemming van de CES-organisator. In het eerste
jaar moeten van elk terrein de grenzen op een kaart worden vastgelegd en het soort landschap moet worden aangegeven.
Kies Uw eigen vangmethodes.
Een keur van vangmiddelen kan worden gebruikt: mistnetten, klapnetten, kooivallen en nestkastvallen. De vangmiddelen
moeten van te voren worden goedgekeurd en middelen waarvan gedacht wordt dat daardoor de vogels definitief het nest
zullen verlaten
worden uiteraard niet toegestaan. Als het mogelijk is moeten vangmiddelen, waarbij de vogel op het nest wordt gevangen, niet worden
gebruikt. In sommige gevallen is het nodig om voor mannetjes en vrouwtjes verschillende soorten vangmiddelen te gebruiken.
Bij sommige soorten is het gebruik van geluid succesvol. Ringers, die een cassetterecorder willen gebruiken hebben
daarvoor een speciale aantekening op hun ringvergunning nodig en moeten contact opnemen met het Vogeltrekstation. Voor een
klein aantal soorten, die moeilijk te vangen is, kan het aanleggen van kleurringen aan te bevelen zijn.
Daarbij horen natuurlijk wel zeer intensieve pogingen om in latere jaren die kleurringen af te lezen. Deze methode
kan beter zijn dan het steeds weer
terugvangen. Ieder kleurringproject moet bij het Vogeltrekstation worden geadministreerd (neem contact op met het Vogeltrekstation)
en om kleurringen te mogen gebruiken voor een RAS-project moet men over zeer goede argumenten beschikken.
Vang de adulte vogels in de broedtijd.
Zodra Uw RAS-studie betreffende de soort(en), terrein en vangmethodes door
het VT zijn vastgelegd is het de bedoeling dat U elk jaar in Uw studieterrein zoveel mogelijk broedvogels vangt en ringt
en dat gedurende een minimum van vijf jaren, zo mogelijk langer. Bij sommige soorten kan het zijn dat de ene sexe veel
gemakkelijker te vangen is dan de andere, maar studies van één sexe zijn toegestaan. Het wordt aanbevolen
om elk jaar ongeveer dezelfde ringinspanning te verrichten; het is ideaal om binnen de grenzen van het studieterrein elk
paar (of het mannetje) te vangen. Binnen dit project willen we alleen volwassen vogels volgen binnen de broedtijd. Die
broedtijd kan voor verschillende vogels een geheel andere periode betekenen! Voor de Bosuil (1 januari tot 1 juli) is dat
iets anders dan voor de Gierzwaluw (1 mei tot 1 augustus), voor de Meerkoet (1 maart tot 1 augustus) is dat iets anders
dan voor de Grote Karekiet (1 mei tot 1 augustus). Met de Meerkoet als voorbeeld willen we dus, binnen het door u
afgebakende studieterrein en binnen de broedtijd (de periode 1 maart tot 1 augustus), alle vangsten van volwassen
Meerkoeten (nieuw aangelegde ringen en terugvangsten) graag van u hebben, geadministreerd onder uw RAS-nummer. Volwassen
vogels gevangen buiten de aangegevn RAS-broedtijd moeten geadministreerd worden op uw persoonlijke ringersnummer.
Nestjongen.
De basis is natuurlijk het vangen en ringen [aflezen van (kleur)ringen] van de volwassen broedvogels. U dient dus de
broedvogels van nabij te volgen om deze te kunnen ringen of aflezen. Als (als!) het dan weinig verstoring oplevert
(en dat verschilt per vogelsoort!) dan is het binnen RAS geen bezwaar (dus toegestaan) ook de nestjongen te ringen.
De nestjongen komen misschien / waarschijlijk terug in het gebied waar ze zijn geboren en gaan daar broeden. Ze zijn
dan de volgende generatie RAS vogels en ze zijn al geringd. U moet die nestjongen ook administreren op uw
RAS-ringersnummer
Hoeveel jaar volhouden.
RAS is een afkorting die staat voor 'Recapture Adults for Survival'. De basis van uw inspanningen is dus dat er
overlevingsberekeningen gedaan kunnen worden aan de door u verzamelde gegevens. Dat betekent wel dat een RAS onderzoek
minimaal vijf (5) jaar moet worden volgehouden (liefst langer!).
Veiligheid en welzijn staan voorop.
RAS-ringers moeten op de hoogte zijn van het gedrag en de gevoeligheden van de vogelsoorten, die ze voor hun studie
hebben uitgekozen, vooral moeten ze bekend zijn met bepaalde periodes in de broedcyclus, waarin verstoring tot gevolg
heeft dat het nest verlaten wordt. Voorop staat veiligheid en welzijn van de vogels. Als U twijfelt vraag dan advies
aan het VT. We zullen graag advies ontvangen van ringers, die ervaring hebben met het vangen van adulte vogels in de
broedtijd.
De administratie.
Voor de administratie van al uw ring- en terugmeldgegevens, via het computerprogramma ‘poot’, maakt u al jaren lang
gebruik van uw persoonlijke ringersnummer. Voor de vogels van uw RAS-project krijgt u, analoog aan het CES-project, een
apart RAS-nummer toegewezen, neem daarvoor contact op met het Vogeltrekstation. Per ringer, per soort en per
studiegebied krijgt u een apart RAS nummer, waarop alle vangsten (eerste vangsten, terugvangsten, aflezingen en
ook de nestjongen) binnen het project worden geadministreerd.
Vogels buiten de doelstelling van RAS.
Als u met uw vanginspanningen voor het RAS-project vogels vangt die niet binnen de doelstellingen van het project
liggen (een andere vogelsoort die toevallig in het zelfde terrein zit) kunnen die natuurlijk worden geringd, maar
die moeten worden geadministreerd in het programma ‘poot’ met uw persoonlijke ringersnummer en niet met uw RAS-nummer.
Het CES-project.
Het bemannen van een CES-ringplaats blijft een van de door ons meest gewenste vorm van vogels ringen. Het beginnen van
het nieuwe RAS-project mag niet van invloed zijn op lopende CES-projecten en CES-ringers moeten niet hun lopende
CES-ringwerk opgeven ten bate van een RAS-studie. Voor enkele vogelsoorten kan het mogelijk zijn om een RAS-studie te
beginnen binnen een CES-studie. We kunnen nog steeds nieuwe CES-onderzoeken aannemen in alle delen van Nederland.
Deze pagina is voor het laatst bijgewerkt op 13 mei 2008.