| Historie |
home → vogeltrekstation → informatie algemeen → historie
Voor 1911.
Waarnemingen dat bepaalde vogelsoorten zomers wel en 's winters niet aanwezig waren hebben geleid tot wonderlijke
veronderstellingen. Aristoteles en velen na hem meenden dat deze vogels een winterslaap hielden. Linnaeus geloofde
nog dat zwaluwen 's winters in de modder wegkropen. Dat bijgeloof was in het midden van de vorige eeuw nog aanwezig.
Een andere 'verklaring' was de gedaanteverwisseling. Koekoeken, die men 's winters niet zag, zouden veranderen in
sperwers, een wel in de winter aanwezige en iets op de koekoek lijkende vogelsoort.
Toen, in de loop van de negentiende eeuw, het besef doorbrak dat vogels heen en weer trekken tussen een broedgebied
en een winterkwartier kwam de vraag aan de orde hoe men de trekwegen kon vervolgen. Dit is niet zo eenvoudig, omdat
we aan een vogel nu eenmaal niet kunnen zien waar hij vandaan komt en waar hij naar toe gaat. Reeds in de middeleeuwen
wordt het verhaal verteld van een man die aan de poot van een in zijn huis nestelende zwaluw een kaartje bevestigde
met de woorden "O zwaluw, waar woont gij in de winter?". In het volgende voorjaar keert de vogel terug met
een kaartje aan zijn poot waarop staat "In Azië, in het huis van Petrus" (Caesarius von Heisterbach,
ca. 1220). De Deense schoolmeester Hans Christian Mortensen maakte van dit idee een realiteit. In 1899 begon hij op
grote schaal vogels te vangen en deze weer los te laten na ze van een merkteken te hebben voorzien. Dit idee sloeg
direct aan en in veel landen ontstonden ringcentrales, zo genoemd omdat de meest gebruikte manier van merken het
aanleggen van een metalen ring aan een van de poten is. (Perdeck 1982).
Vanaf 1911 Rijks Museum van Natuurlijke Historie.
Vanaf begin 1911 (Van Oort 1911, Delsman 1912) gaf het Rijks Museum van Natuurlijke Historie te Leiden (toenmalig
directeur Dr. E.D. van Oort) ringen uit ten behoeve van vogeltrekonderzoek. Van Oort schreef in 1911: "Wel zijn
er in ons land op verschillende plaatsen reeds vogels van ringen voorzien, maar deze werden verkregen van de Vogelwarte
Rossiten in Duitschland (Delsman 1910, 1911, Van Oort 1912) of van den uitgever van het tijdschrift 'British Birds'
in Engeland (Wigman 1911). Het is onbetwistbaar, dat het verstrekken der te gebruiken ringen door een centrale in het
land zelf, het uitvoeren van deze ringproeven zeer vergemakkelijkt. Overtuigd van de wenschelijkheid, dat ook in
Nederland een instelling op wetenschappelijk gebied in deze richting moet werkzaam zijn, heeft het Rijks Museum van
Natuurlijke Historie te Leiden het plan opgevat voortaan voor dit doel kosteloos ringen beschikbaar te stellen voor
hen, die willen medewerken tot het nemen van deze proeven. De ringen voor de grootere vogels zijn gemerkt 'Museum
Nat.Hist. Leiden-Holland', die voor kleinere vogels 'Museum Leiden', allen doorlopend genummerd." Het eerst
bekende ringgegeven is nummer 1021, aangelegd aan een Spreeuw te Nijkerk op 24 mei 1911 door H.H. van Esveld.
Vanaf 1931 Stichting Vogeltrekstation Texel.
Daarnaast bestonden er in Nederland meerdere waarnemingsstations, waar men op allerlei manieren trachtte meer inzicht
te krijgen in het verloop van vogeltrek over Nederland. Bestuursleden van de Nederlandse Ornithologische Vereniging,
de Club van Nederlandse Vogelkundigen, de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland, de Nederlandse
Vereniging tot Bescherming van Vogels en de directeur van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie schaarden zich in
1930 achter het initiatief van de burgemeester van Texel, W.B. Oort, om een vogeltrekstation op dit Waddeneiland op te
richten (van Dobben 1960 en 1980, Heimans 1930, Thijsse 1930, Anonymus 1931). Zij kwamen op 13 december 1930 in Utrecht bijeen
(van Marle & Deelder 1971), waar werd besloten tot de oprichting van de "Stichting Vogeltrekstation
Texel". De initiatiefnemers vormden het algemeen bestuur, terwijl uit hun midden het dagelijks bestuur werd
gekozen: prof.dr. L.F. de Beaufort voorzitter, dr. G.J. van Oordt secretaris, J. Drijver penningmeester, W.B. Oort en
J.G. van Marle leden. De oprichtings-akte passeerde notaris E.Th. Koopman op 31 januari 1931. De Stichting was
statutair gevestigd in Amsterdam en stelde zich tot doel het bevorderen van ornithologisch onderzoek in het algemeen
en dat van de vogeltrek in het bijzonder. De activiteiten bleven niet beperkt tot Texel, maar vonden plaats langs de
gehele kust en elders. Het bestuur besloot in 1959 'Texel' uit de naam en de statuten te schrappen. De Stichting
beschikte over vele vrijwilligers die vogeltrek waarnamen en registreerden. Verder werden er ondermeer
verplaatsingsproeven gedaan met Spreeuwen, cursussen gegeven en sedert 1950 vogeltrekkampen georganiseerd. Jarenlang was
de Stichting gastvrij gehuisvest op het toenmalige Zoölogische Station van de Nederlandse Dierkundige Vereniging
te Den Helder (historisch voorganger van het huidige NIOZ op Texel). Leiders waren G.F. Makkink (1931-1934), W.H.
van Dobben (1934-1940), L. Tinbergen (1940-1946), H. Klomp (1946-1950), A.C. Perdeck (1950-1988), H. van Balen (1988),
P.J. Drent (1988-1991), A.J. van Noordwijk (1991-2002), D.A. Thomson (2002-2004), M.E. Visser (2004-heden).
Het goede gehalte van dit met geringe middelen tot stand gebrachte onderzoek heeft er veel toe bijgedragen, dat de
Stichting in 1954 een meer solide basis kreeg door subsidiëring van de Koninklijke Nederlandse Akademie van
Wetenschappen (K.N.A.W.). In 1954 werd het Instituut voor Oecologisch Onderzoek (I.O.O.) opgericht en als instituut
van de K.N.A.W., vallend onder het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, te Arnhem in de Sylva hoeve gevestigd
aan de Sylvalaan (H.Kluyver (directeur), J.Visser (administrateur), H. van Balen (onderzoeker), H. Mutter (assistent)
en A.Klaver (assistent)) met als eerste directeur Dr. H.N. Kluyver en later Dr. W.H. van Dobben. Kort na deze oprichting
werd het werkprogramma van de Stichting geheel geïncorporeerd in het I.O.O. en vormde daar de afdeling
Vogeltrekstation (van Marle & Deelder 1971). Tot en met 1962 bleef deze afdeling in Leiden en verhuisde toen naar
het splinternieuwe gebouw in Arnhem. Het personeel van de Stichting ging daarbij over in dienst van het I.O.O. met als
afdelingshoofd Dr. A.C. Perdeck. De Stichting ging nauw met het I.O.O. samenwerken maar bleef haar rechtspersoonlijkheid
en zelfstandigheid behouden. Medio jaren zeventig was de financiële situatie van de Stichting uitgehold door
stijging van de loon- en administratiekosten. Het bestuur was aanvankelijk in 1976 van plan de activiteiten te staken
en de Stichting op te heffen. In april 1978 nam de Nederlandse Ornithologische Unie (NOU) het bestuur van de Stichting
over. De activiteiten beperkten zich daarna voornamelijk tot het verlenen van kleine subsidies aan vogelringers. In 1996
werd besloten pogingen te doen de Stichting nieuw leven in te blazen (Boudewijn 1999). Het is de bedoeling dat de
Stichting, voor zover mogelijk, de ringers financieel gaat ondersteunen, ook door de belasting technische kant te gaan
onderzoeken. Criteria daarvoor moeten nog worden vastgesteld. De Stichting zal daarvoor extern geld moeten zien te
werven.
Vanaf 1958 Vogeltrekstation Arnhem.
Met ingang van 1 januari 1958 nam het Vogeltrekstation (I.O.O.) de organisatie, uitgifte en administratie van
vogelringen over van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie te Leiden. Tegelijkertijd trad ook de heren H. Arendsen en
J. Taapken, die de administratie van het ringonderzoek reeds op het museum verzorgden, bij het I.O.O. in dienst. In
januari 1962 verlieten de laatst genoemde twee het Vogeltrekstation. Als opvolger werd H. Stel gevraagd, maar die
wilde zijn baan in het onderwijs niet verlaten, waarna B.J. Speek in juni 1962 werd benoemd. De afdeling
Vogeltrekstation vestigde zich in het najaar van 1962 in Arnhem (van Marle & Klomp 1963). Eerst in de "de
Spreeuwpot" (de studentenbehuizing van het toenmalige ITBON) en sinds 1964 in de nieuwe behuizing van het I.O.O.
(van Marle & Klomp 1965). Binnen het Vogeltrekstation waren de taken van de fusiepartners nog steeds zichtbaar: aan
de ene kant een verwerkingseenheid voor coördinatie en administratie van ringwerk (de Ringcentrale) en aan de andere
kant (het Vogeltrekstation) een onderzoekseenheid die zich vooral richtte op onderzoek naar oriëntatie tijdens
de trek, door veldwaarnemingen en experimenteel onderzoek aan o.a. Kokmeeuw, Spreeuw, Vink en Wintertaling. Daarbij werd
tot in het begin van de zestiger jaren gebruik werd gemaakt van de vinkenbaan 'Sparregat' in Meyendel bij Wassenaar,
de 'huis-vinkenbaan' van het Vogeltrekstation, in het najaar fulltime in gebruik door Q.(Riet) Voorham en A.J. de Zwart.
Sinds die fusie werd veel tijd besteed aan het verbeteren van de administratie. Er werden computersystemen opgezet voor de
verwerking van terugmeldingen en de daarbij behorende ringlijstgegevens, nu de Arnhem Databank (ADB) genoemd.
EURING.
Daarnaast speelde het Vogeltrekstation een voortrekkersrol in het tot stand komen van internationale samenwerking.
Dit leidde in 1963 tot het oprichten van 'The European Union for Bird Ringing' EURING (Perdeck 1964). Sinds die
oprichting werd hard gewerkt om te komen tot een Europese gestandaardiseerde manier om gegevens vast te leggen.
In 1966 werd een eerste afspraak, 'The EURING Code Manual', van kracht. EURING besloot ook om een centraal
computerarchief voor ondermeer terugmeldingen in te stellen. Sinds 1975 is de EURING Databank (EDB) ondergebracht bij
en wordt beheerd door de Nederlandse Ringcentrale, zoals het Vogeltrekstation sinds 1988 wordt genoemd.
Onderzoek.
In de beginjaren van het Vogeltrekstation waren de onderzoekers (A.J. Cavé en A.C. Perdeck) en hun assistenten (R. Mooser
en J. Beijerbergen, later C. Bol, C. Clason en G. Speek) full time betrokken bij het oriëntatie onderzoek van
trekvogels onder andere met behulp van verplaatsingsproeven en radar. Dit onderzoek werd in 1975 afgesloten. Gedurende
de daaropvolgende vijf jaren werkten de twee onderzoekers en hun assistenten aan methodes om met behulp van de
terugmeldings-gegevens uit de Arnhem Data Bank overleving en verplaatsingen (trek) te bepalen. Intussen, al sinds de
zestiger jaren, was het doel van veel ringwerk sterk verschoven van trekonderzoek naar meer populatie-oecologische
problemen. Dit gold ook voor de onderzoekers van de afdeling Vogeltrekstation. Na 1981 richtten ook zij zich op nieuwe,
meer populatie oecologisch gerichte onderzoeksvragen, met name bij de Koolmees en de Meerkoet.
Ringverslagen.
Het eerste overzicht van het ringwerk in Nederland verscheen in het Jaarboekje der NOV (Van Oordt 1911), later in
Ardea (1912 t/m 1936) en Limosa (1937 t/m 1974), van 1975 t/m 1989 in separate uitgaven van het Vogeltrekstation en van
1990 tot heden in Op Het Vinkentouw, het contactblad wat het Vogeltrekstation voor de ringers uitgeeft. Omdat de
verspreiding van die separate uitgaven en Op Het Vinkentouw niet die omvang hebben als van Ardea en Limosa verscheen
in Limosa een overzicht van het ringwerk van na 1960 (Osieck & Winkelman 1983).
Integratie Vogeltrekstation.
Per 1 mei 1988 zijn, samenhangend met de pensionering van het toenmalig hoofd van het Vogeltrekstation Dr. A.C. Perdeck,
de beide vogelafdelingen van het I.O.O., die in hun onderzoek sterk op elkaar waren gaan lijken, samengevoegd. De
naamgeving voor de coördinatie en administratie van het ringwerk werd veranderd in "Nederlandse
Ringcentrale" (Van Balen 1989). Op de ringen blijft, ook na de verhuizing in 1982 naar Heteren staan:
Vogeltrekstation Arnhem. Sinds die tijd beperkt de wetenschappelijke begeleiding van de Ringcentrale zich tot het
initiëren van beleid (Anonymus z.j., Van Noordwijk 1991 1992 1993) en het doorspreken van organisatorische en
administratieve problemen. Hieronder viel ook de advisering van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
over het verstrekken van vergunningen aan professionele en vrijwillige ringers. In 1995 heeft bovengenoemd ministerie
vergunning verleend aan het Vogeltrekstation om die ringvergunning in eigen beheer uit te geven, binnen het kader zoals
door het ministerie is aangegeven. De Nederlandse Ringcentrale werd hierdoor vooral een administratief centrum. Op 1
januari 1992 werd het I.O.O. samengevoegd met twee andere instituten van de Koninklijke Nederlandse Akademie van
Wetenschappen (KNAW), te weten het Delta-Instituut te Yerseke en het Lymnologisch Instituut te Nieuwersluis, tot het
Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (N.I.O.O.), de afdeling in Heteren krijgt de subnaam: Centrum voor
Terrestrische Oecologie (C.T.O.).
Automatisering.
De automatisering nam in de negentiger jaren een paar grote stappen voorwaarts: sinds 01-01-1990 ontvangt het
Vogeltrekstation alle ringgegevens in digitale vorm (ca. 220.000 per jaar) en vanaf 01-01-1993 ook alle terugmeldingen
(ca. 60.000 per jaar) die van de ringers komen, inclusief de "eigen" terugmeldingen (Van Noordwijk &
Speek 1999). Begin 2000 werd op de Ringcentrale een "ftp-server" in gebruik genomen waardoor met behulp
van een nieuw ontwikkeld programma het versturen van de ring- en terugmeldgegevens tussen de ringers en de
Ringcentrale via de digitale snelweg gaat.
Deze pagina is voor het laatst bijgewerkt op 11 augustus 2004.