| Biometrie definitie, waarom, wanneer, methode |
home → vogeltrekstation → informatie voor ringers → determinatie → biometrie: meten is weten
Biometrie, algemeen.
Om biometrie nu meteen als een "hot item" te bestempelen is een beetje veel van het goede, maar dat er in de
Nederlandse ringerswereld met enige regelmaat en al vrij lang over wordt gesproken is wel duidelijk. Het onderwerp is
in de afgelopen jaren herhaaldelijk ter sprake gekomen zonder dat het, naar de mening van de auteur dezes, tot veel
concrete resultaten leidde.
Het nut van het nemen van biometrische maten is al decennia bekend. In de ringerswereld kwamen de eerste georganiseerde
geluiden naar voren in de eind tachtiger jaren. Een aantal publicaties (Ringerscommité 1989, Nieboer 1992a,
Biometriecommissie 1993, Luijten 1993) hebben aandacht besteed aan een minimumpakket, de methodiek en de kwaliteit, maar
de vraag 'waarom' is mijns inziens niet voldoende uit de verf gekomen (Nieboer 1992b). De laatst bekende publicatie
(van Noordwijk 1995) bevat een redelijk gedegen motivatie om binnen het CES project gestructureerd biometrische maten
te nemen, verzamelen en documenteren.
Biometrie, ethische achtergrond.
Het vangen en ringen van levende vogels ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek is, hoewel het op grote schaal
plaatsvindt, geen vanzelfsprekendheid, zeker niet voor de vogel, die zeer waarschijnlijk de nodige stress daarvan
ondervindt. Alhoewel de mogelijk negatieve effecten van de ring om de poot vaak moeilijk zijn na te gaan, kunnen ze
zeker niet zomaar weggewuifd worden als onbetekenend. Het vangen van vogels moet nooit lichtvaardig worden opgevat en
vereist een zorgvuldige afweging hoe de nadelige gevolgen voor de vogel tot een minimum kunnen worden beperkt.
Bij elke handeling aan een vogel, dus ook het nemen van biometrische maten, moet je je dus altijd afvragen 'waarom'. Het
vangen en ringen van vogels, en wat voor handelingen er allemaal nog bijkomen, is en blijft een hulpmiddel voor
wetenschappelijk onderzoek. Dat is het enige wat de Nederlandse ringers doen: helpen bij onderzoek of zelf onderzoek doen.
De vraag 'waarom' moet altijd en wetenschappelijk afdoende kunnen beantwoord.
Biometrie, definitie.
Voordat je ergens over gaat praten is het wel aangenaam te weten waarover het gaat.
Biometrie is volgens Van Dale (1984): "het vaststellen van tel-, weeg- of meetbare eigenschappen van levende wezens".
We kunnen dus tellen (bv. het aantal staartpennen; bv. voor de rui het aantal aan- en afwezige nieuwe en oude
veren; bv. in welke categorie het vet onder te brengen is, bv. in welke categorie de schedelverbening is onder te brengen,
bv. het aantal tongvlekken), wegen (het gewicht) en meten (lengte van veren, snavel, poot, etc.; de
aanwezigheid van een broedvlek; kleur is een moeilijke maat maar m.i. ook in getallen aan te geven).
Biometrie, waarom..
Waarom gebruiken de ringers biometrische maten. Dat is met afstand (!) de gemakkelijkst te beantwoorden vraag op
deze pagina.
Biometrie, wat en wanneer.
Eigenlijk is deze vraag hierboven al beantwoord: we biometreren (a) als we gebruik maken van bestaand onderzoek wat
toepasbaar is bij bv. een determinatieprobleem en (b) als we zelf onderzoek doen, of meedoen aan onderzoek van anderen,
dergelijk onderzoek moet natuurlijk nauwkeurig zijn omschreven.
|
Beleid: biometrie Van alle ringers wordt verwacht dat zij het geslacht en de leeftijd van de gevangen vogels kunnen bepalen, voor zover de huidige kennis daartoe strekt. Als daarvoor biometrische maten genomen moeten worden (welke dan ook, mits uw ringvergunning dat toestaat), dan moet dat gebeuren indien het een redelijke 'verwerkingstijd' niet overschrijdt. Dat kunnen dus per vogelsoort verschillende biometrische maten zijn (b.v. bij Fitis-Tjiftjaf tel je het aantal versmallingen van de buitenvlag van de handpennen, bij pulli roofvogels meet je de klauw, bij Kleine Karekiet-Bosrietzanger meet je de overall vleugellengte en de notch op p2). Om de overlast voor de vogel tot een minimum te beperken worden er uitsluitend biometrische maten genomen welke nodig zijn voor de bepaling van leeftijd en geslacht. Andere maten dus niet, tenzij daar in een specifiek omschreven onderzoeksproject een vraag naar is. Zo'n onderzoek dient schriftelijk bij het VT te worden aangevraagd. |
Biometrie, methode..
|
Broedvlek. Hoe dat er uit ziet staat beschreven in Speek (1994).
foto's: © Victor Eggenhuizen |
Cloaca, de vorm.
De vorm van de cloaca en directe omgeving wordt gebruikt om de sexe van een vogel te bepalen.
Literatuur: Svensson (1992), Speek (1994).
|
Gewicht, het totale gewicht van de vogel wordt gemeten. Gebruik daarvoor óf een electronische weegschaal (die hebben het voordeel van tarreren, nadelen zijn de noodzaak voor horizontale plaatsing en de windgevoeligheid), óf een gedegen veerbalans, het liefst van het merk Pesola. Let er op bij een Pesola dat u 'm niet aan de buis, maar aan het bovenste oogje vastpakt. De nauwkeurigheid bij beide soorten weegtoestellen behoort min. 1% te zijn van het te wegen gewicht. IJk uw weegapparaat regelmatig. Gebruik voor een weegschaal kokers van verschillende maten om de vogels in te doen (zie foto). Bij gebruik van een Pesola (veerunster) knijp de sluiting nooit rechtstreeks aan de poot (driewerf foei!). Ook de haak van de Pesola aan de ring vastmaken verdient geen ethische en estetische schoonheidsprijs. Bovendien kan de vogel makkelijk gaan fladderen op deze manier en dat kan aanstootgevend zijn voor het grote publiek (en komt ook de nauwkeurigheid van de weging niet ten goede). Dat de vogel bij het wegen op de kop hangt is niet zo erg, maar doe 'm in een luchtig katoenen zakje (desnoods van plastic met vele luchtgaten), of gebruik trechtervormige kokers (Speek 1994). Zorg in ieder geval dat het ongemak voor de vogel minimaal is.
foto's: © Victor Eggenhuizen |
P3 / P8, Veerlengte, de lengte van de derde (achtste) handpen.
De nummering is afhankelijk van welk systeem wordt
gevolgd (resp. Svensson 1992, Jenni & Winkler 1999). De methode staat beschreven in Svensson (1992) en Speek (1994).
Gebruik daarvoor deugdelijk materiaal zoals een
roestvrij stalen lineaal (nauwkeurigheid minimaal 1.0 mm)
met een opstaand uiteinde, welke exact op de 'nul' is gesitueerd. Een geplakt stuk grafiekpapier of een plastic lineaal
is onbetrouwbaar !
|
Poot, tarsus, teen, klauw, voet. De meest voor de hand liggende maten zijn de tarsus, de teen en de klauw. De methodes zijn beschreven in Svensson (1992) en tekeningen staan ook in Speek (1994). Gebruik daarvoor deugdelijk materiaal, het best is een roestvrij stalen schuifmaat (nauwkeurigheid minimaal 0.02 mm). Uitvoering: analoog met 'nonius', analoog met klok, of digitaal. Een digitale uitvoering is meer dan prima (digitaal aflezen vermindert afleesfouten), maar deze zijn storingsgevoelig.
foto's: © Victor Eggenhuizen |
|
Rui. De principes van rui staan beschreven in Birding World 6(5): 198-205, 1993 Literatuur: Ginn & Melville (1983), Svensson (1992), maar vooral Jenni & Winkler (1994).
foto's: © Victor Eggenhuizen |
Schedelverbening.
Schedelverbening wordt gebruikt om de leeftijd van een vogel te bepalen.
Literatuur: Svensson (1992), maar vooral Jenni & Winkler (1994).
|
Snavel (kop+snavel), lengte, hoogte. De meest voor de hand liggende maten zijn de lengte en de hoogte van de snavel. De methoden zijn beschreven in Svensson (1992) en een tekening staat ook in Speek (1994). Gebruik daarvoor deugdelijk materiaal, het best is een roestvrij stalen schuifmaat (nauwkeurigheid minimaal 0.02 mm). Uitvoering: analoog met 'nonius', analoog met klok, of digitaal. Een digitale uitvoering is meer dan prima (digitaal aflezen vermindert afleesfouten), maar deze zijn storingsgevoelig.
foto's: © Victor Eggenhuizen |
Staart.
De staartlengte. De methode is beschreven in Svensson (1992) en een tekening staat ook in Speek (1994).
Tongvlekken.
Tongvlekken wordt gebruikt om de leeftijd van een vogel te bepalen.
Literatuur: Svensson (1992), Speek (1994).
Vet.
Het (trek)vet is een prima methode (Busse 1974, Kaiser 1993, Gosler 1996)
om de conditie van de vogel te meten vlak voor de trek begint.
Vleugel, overall, p3 (p8), vleugelformule.
De overall vleugellengte is de afstand van de vleugelboeg tot de langste handpen. Er zijn meerdere
manieren om die lengte te meten (Svensson 1992), maar de (Europese) ringerswereld gebruikt de "maximum length",
dus "flattened" en "straightened" (Svensson 1992, methode 3), m.a.w. druk de vleugel plat op de lineaal en
strek hem zoveel mogelijk (Speek 1994).
P3 (p8) is de lengte van de derde (achtste) veer.
Voor de vleugelformule zie Svensson (1992) blz.16-18.
Gebruik daarvoor deugdelijk materiaal zoals een roestvrij stalen
lineaal (nauwkeurigheid minimaal 1.0 mm) met een opstaand uiteinde, welke exact op de 'nul' is
gesitueerd. Een geplakt stuk grafiekpapier of een plastic lineaal is onbetrouwbaar !
Deze pagina is voor het laatst bijgewerkt op 11 juni 2008.