| Beleid De maximaal gestrekte vleugel en de veerlengte (P3 / P8). |
home → vogeltrekstation → informatie voor ringers → vleugel / veer
Eerste publicatie: 28 januari 2003
Deze versie: 24 maart 2004
De maximaal gestrekte vleugel en de veerlengte (P3 / P8*).
Vogels hebben vleugels, de meeste soorten tenminste. Dat is prettig voor degene die soorten, geslachten en leeftijden
wil kunnen onderscheiden, want voor de genoemde drie items verschilt die vleugel soms in een aantal maten. Dus worden er
al vele, vele jaren lang vleugels gemeten. Al heel snel ontdekte men dat je zo’n vleugel op een aantal manieren kon meten.
De meest gebruikelijke drie zijn (a) unflattened, leg de vleugel met de boeg tegen het nulpunt van de lineaal en
kijk waar de tip eindigt, de vleugel dus niet platdrukken en niet strekken; (b) flattened, idem als a. maar druk
de vleugel plat op de lineaal, niet strekken; (c) flattened en straightened, als b. maar strek de vleugel zover
als verantwoord is. Een beschrijving van deze drie methoden en de bijbehorende problemen kunt U vinden in Spencer (1995)
en ook Pyle (1997), Speek (1994) en Svensson (1992) geven een goed overzicht. Variaties in de methodiek waren er
natuurlijk ook wel (Kelm 1970), maar bovengenoemde methode c. is nu bij vrijwel alle ringcentrales in Europa
geaccepteerd en wordt algemeen toegepast. Berthold & Friedrich (1979) introduceerden een nieuwe methode, de
veer-lengte, en pretendeerden met die methode een grotere nauwkeurigheid te bereiken dan de maximaal gestrekte
vleugel. Studies van Jenni & Winkler (1989) toonden ook aan dat deze maat een grotere reproduceerbaarheid heeft
dan de maximaal gestrekte vleugel. Echter een uitgebreide studie in Engeland (Gosler et al 1995) liet zien dat tussen
de herhaalbaarheid en de nauwkeurigheid van de maximaal gestrekte vleugel en de veerlengte vrijwel geen verschil was
aan te tonen. Van Diermen (1997) heeft al op deze studie gewezen.
Met als basis bovengenoemd onderzoek van Gosler is het Vogeltrekstation van mening dat het weinig zin heeft een vogel extra
te belasten met een tweede meting. Het Vogeltrekstation is, evenals de Engelse Ringcentrale (Redfern & Clark 2001), van
mening dat die tweede meting, de veerlengte dus, bovendien bij onoordeelkundig gebruik een aanwijsbaar groter risico
is dan de maximaal gestrekte vleugel, vooral bij kleine vogels. Bovendien wordt in de determinatiewerken die de ringers
anno 2003 ter beschikking staan (Svensson 1992, Speek 1994, Jenni & Winkler 1999) vrijwel altijd gebruik gemaakt
van de maximaal gestrekte vleugel, het gebruik van de veerlengte (p3 / p8) daarin is ver in de minderheid.
|
Beleid Vanaf 1 januari 2003 schaffen we het meten van de veerlengte (p3 / p8) af, tenzij daar in een gespecialiseerd lopend onderwerp / onderzoek vraag naar is. Een voorbeeld daarvan is het CES-project, daar wordt de veerlengte (p3 / p8) al vele jaren consequent gemeten naast de maximaal gestrekte vleugel. Op deze wijze is een grote dataset ontstaan waaraan nodig een keer gerekend moet worden. Het zou zonde zijn die dataset nu af te breken. Bij het CES- en Boerenzwaluw project blijft de veerlengte (p3 / p8) dus in het basis-biometrie-pakket. |
* Er zijn twee systemen in zwang om de veren te nummeren. De veer die wordt gemeten heeft in beide systemen een ander nummer. Bij de ene methode (Svensson 1992, blz.15) worden én de handpennen (primaries) én de armpennen (secondaries) genummerd van buiten naar binnen, de gemeten veer is daar de derde: p3. Bij de andere methode (Jenni & Winkler 1999, blz.12) worden de handpennen van binnen naar buiten genummerd en de armpennen van buiten naar binnen: de gemeten veer is daar de achtste: p8.
Deze pagina is voor het laatst bijgewerkt op 24 maart 2004.